Oom Herman

width="600"

Ik zat naar Jinek te kijken waar gepraat werd over het diezelfde avond gehouden Correspondents’ Dinner. En wie schoof daar natuurlijk weer aan tafel? De onvermijdelijke emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, gespecialiseerd in de literatuur van de Middeleeuwen Prof.dr.Piet Praatgraag. Door sommige mensen ook wel Herman Pleij genoemd. De meest begenadigde spreker van ons land. Vinden velen. Zelf vind hij, schat ik in, van de wereld. Eva Jinek draait het sleuteltje om door te vragen wat ie er van vond. En Herman start meteen. Met een soepel geestig, ja soms zelfs guitig betoog waarvan beeindiging altijd in een heel ver verschiet ligt. Gastvrouw, tafelgenoten en zelfs de andere samen met hem uitgenodigde deskundige dienen hun kop te houden als hij aan het woord is. Hij is toch immers verreweg de beste spreker van dit gezelschap. Van Nederland. Van de hele wereld. En dat zal iedereen weten ook.

In vele families heb je wel zo’n oom Herman. De joviale man die misschien wel niet geheel ten onrechte van zichzelf vindt dat hij, als het om converseren gaat, een direct geschenk van God is. En die zo geniet van z’n eigen flux de bouche dat ie die te pas en te onpas loslaat op het liefst alle verjaardagsgasten tegelijk, maar desnoods genoegen neemt met het één op één  gesprek. En dan meestal met een nieuwkomer in het gezelschap. Die het de eerste keer vrij amusant vindt (“Wat kan die oom van jou leuk vertellen, zeg“)  De reguliere familieleden weten beter. Zeg nooit; “Ha oom Herman, hoe gaat het er mee”. En als hij aan tafel het uitgebreide woord wil nemen, is daar gelukkig altijd z’n oudste dochter met; “Pahap, dat weten we nu wel”. Want de verhalen van oom Herman mogen dan amusant gebracht worden, ze komen altijd op hetzelfde neer. Het schijnt dat z’n neef, die op de kleinkunstacademie zit, ooit gezegd heeft: “Gut oom Herman je zou eigenlijk lid moeten worden  van zo’n sprekers instituut”. En dat oom Herman, doof voor de ironie van die opmerking, inderdaad (tevergeefs) gesolliciteerd heeft bij de Speakers Academy

Even terug naar Jinek en Pleij  (die overigens. niet tevergeefs gesolliciteerd heeft bij de Speakers Academy). Jinek hield ‘m met moeite in bedwang, maar kon toch niet verhinderen dat Pleij  onmiddellijk op dat platgereden stokpaard van hem kroop: De Nederlandse moraal.  Het excelleren in gewoonheid.  De Braafheid van ons volk die, toegesneden op het gespreksonderwerp, zich volgens hem zou uiten in de voorkeur van alle Nederlanders voor sukkelachtige minister-presidenten.

Buiten de nauwelijks verholen zelfgenoegzaamheid van hoor mij nou ‘ns prachtig praten. Buiten de tevreden uitstraling van wat is het toch een genot om naar mezelf te luisteren. Buiten de gewoonte van de emeritus hoogleraar om elke wetenschappelijke onderbouwing ogenblikkelijk over boord te gooien ten faveure van een olijke grap. Buiten de terugkerende constatering van dat heb ik  ‘m toch eerder horen zeggen (“Pahap dat weten we nu wel”).  Buiten dit soort kleine onvolkomenheden erger ik me het meest aan dat claimen van onze  volksaard. Herman Pleij weet namelijk precies wat ons Nederlanders beweegt. En is altijd  bereid om dat tegen meer geld dan je had gedacht en uitgebreider dan je had verwacht uit te komen leggen.

Wij Nederlanders lopen met z’n allen uitgedost in het oranje rond te hossen. Wij Nederlanders hebben een hekel aan heldenverering. Wij Nederlanders vinden met z’n allen onszelf allemaal heel bijzonder. Wij Nederlanders hebben met z’n allen een enorme verenigingsdrang. Wij Nederlanders lopen met z’n allen de godganse dag over ons bestaan te klagen. Om er maar ‘ns een paar pareltjes van Pleij’s  generalisatiedrang  uit te pikken. Trouwens niet alleen Pleij is druk met ons met z’n allen in een hok te duwen, De media kunnen er ook wat van. Sinds Matthijs van Nieuwkerk sneller naar huis fietst weet iedere journalist het zeker. Wij Nederlanders zijn allemaal bang voor terroristische aanslagen. Net zo goed als iedere boerelul met een microfoon in de hand met zekerheid stelt dat wij Nederlanders allemaal het vertrouwen in de politiek verloren hebben  Zo is dat. Wij worden met z;n allen steeds grotere hufters. We krijgen en masse kortere lontjes. En we betalen als totale mensheid nooit op tijd de rekeningen van de Aegon.

Door het gebruik van de eerste persoon meervoud, het wij en het ons, betrekken Herman Pleij en anderen mij  persoonlijk bij hun stellingen. Ik hoor tenslotte ook bij Pleij en de rest van ons Nederlanders. (Hoewel, als ik  Pleij hoor praten, hij altijd de indruk wekt dat hij  de enige is die nou juist niet bij ons Nederlanders hoort). Maar goed, door mij er direct bij te betrekken, ben ik dus het levende wetenschappelijke bewijs van de onjuistheid van die ons kent ons  stellingen van hem. Van de pers. Van de reclame.

Oranje is voor mij de lelijkste kleur die er is. Op dansles heb ik nooit leren hossen.  Op gepaste wijze vereer ik m’n helden Windig en De Jong. Wat al aangeeft dat ik mezelf minder bijzonder vind dan hen.  Sinds ik met ruzie de hockeyclub verlaten heb, ben ik nooit meer lid geweest van welke vereniging dan ook. Klagen over doe ik nooit, wel ergeren aan. Bang zijn voor de IS  heeft volgens mij net zo veel zin als rekenen op de jackpot. Ik vind dat we momenteel het beste kabinet hebben sinds Kok twee. (Al was het alleen maar omdat het CDA er niet in zit).  Ik ben m’n hele leven dezelfde hufter gebleven als die puber die ooit suiker in de benzinetank van het Renaultje vier van z’n leraar wiskunde gooide. Dat m’n lontje korter is geworden heeft alleen maar met m’n leeftijd te maken. En mijn vrouw betaalt nauwgezet altijd meteen de rekeningen van de Delta Lloyd.

Herman Pleij zal me ongetwijfeld van repliek dienen met de woorden: “Zeg Pels weet je hoe wij wetenschappers iemand als jij noemen? Een lul! En bovendien de uitzondering die de regel bevestigt”  Om daarna de (betalende) lachers weer op de hand te krijgen door deze toch ietwat moeilijke phrase onmiddellijk jolig op z’n Pleij’s te vertalen met: “Behalve jij, is heel Nederland blij met Professor doctor Herman Pleij”.

F. Pels